College3

Lijst met vragen college 3

  1. Wat zijn de voordelen die (biologische) feedforward netwerken hebben voor visuele perceptie?
  2. Wat betekent (globaal) het feit dat feedforward netwerken universal approximators zijn? In welke zin is dit beperkt?
  3. Wat is catastrophic interference bij feedforward netwerken?
  4. Hoe kan catastrophic interference bij feedforward netwerken worden voorkomen?
  5. Welk probleem doet zich voor als verschillende feedforward netwerken verschillende visuele kenmerken (features) verwerken?
  6. Waarom is het cognitief voordelig om invariante object representaties te hebben?
  7. Welk probleem kan zich voordoen bij invariante object representaties?
  8. Wat is het “wat versus waar” probleem in visuele perceptie?
  9. In het college is aangegeven hoe het “wat versus waar” probleem in visuele perceptie zou kunnen worden opgelost. Geef een globale beschrijving van dit proces.
  10. Het gebied LIP in de pariëtaal cortex is betrokken bij het verwerken van locatie informatie en spatiële aandacht voor oogbewegingen. Het receptieve veld van een neuron in dit gebied komt overeen met een locatie waar een stimulus kan verschijnen. Als een stimulus op die locatie wordt aangeboden, dan is de activatie onset van de stimulus in dit gebied ongeveer 60ms. Als een stimulus in het receptieve veld geselecteerd wordt door een cue buiten het receptieve veld, dan zie je na ongeveer 200ms een oplopende activatie van deze neuron. Hoe zou deze activatie tot stand kunnen komen? Wat zou een verklaring kunnen zijn van het tijdsverschil tussen onset activatie en cue-gerelateerde activatie?
  11. Wat is een kenmerkend verschil in activatie tussen feedforward netwerken en feedback netwerken in visuele perceptie?
  12. Wat is een kenmerkend verschil in de rol tussen feedforward netwerken en feedback netwerken in visuele perceptie?
  13. Wat is disinhibitie?
  14. Wat is een kenmerkend verschil tussen disinhibitie en (directe) top-down activatie bij de interactie tussen feedforward netwerken en feedback netwerken in visuele perceptie?
  15. Wat zegt het experiment van Motter (1994) over het rol van topografische (retinotope) representaties in de interactie tussen feedforward netwerken en feedback netwerken in visuele perceptie?
  16. Waar komen deze topografische (retinotope) representaties voor in de visuele cortex?
  17. Wat zegt het experiment van Motter (1994) over het tijdsverloop van de interactie tussen feedforward netwerken en feedback netwerken in visuele perceptie?
Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License